Bioscience is in Leiden voorlopig nog niet uitgebloeid

Friday, March 20, 2020

Het gaat goed met Leiden Bio Science Park. Het LUMC is gezond, Naturalis verbreekt bezoekersrecords, het onderwijs is op orde. En daartussen bloeien 150 kleine en grote hightech bedrijven. In twintig jaar is de werkgelegenheid hier verdubbeld tot 20.000 banen. En het levert de stad miljoenen op, zo blijkt. Maar blijft het wel zo goed gaan?

De groei van het Bio Science Park was de laatste jaren ’s ochtends af te lezen aan de verkeersstromen. Begin deze eeuw ging het meeste verkeer op de Plesmanlaan de stad uit, maar daarna werd het steeds drukker met auto’s die Leiden juist in wilden en dan linksaf sloegen.

Leiden werd voor meer mensen een werkstad, en niet louter woonstad. „Hier wordt het geld voor onze regio verdiend”, zegt de Leidse wethouder Paul Dirkse tevreden, „En het gaat ook ergens over: hoe houden we Nederland gezond: dat is toch superbelangrijk?”

Het stadsbestuur verwacht verdere groei en die visie wordt gedeeld door het LUMC, de universiteit en de gemeente Oegstgeest. Er wordt hard gewerkt aan vernieuwing en uitbreiding van het park. Maar is dat optimisme terecht?

Natuurlijk zal de coronacrisis ook de bioscience niet koud laten. Maar tegelijk: juist onderzoek naar gezondheid en medicijnen blijft belangrijk. De vraag is dan vooral of Leiden daarin een sterke rol zal houden.

De onzekerheid zit niet bij het LUMC, de universiteit of de mbo- en hbo-scholen. Zij vormen het anker voor het Bio Science Park. Voor sterke groei zullen deze instituten niet zorgen, maar ze zullen ook niet omvallen of naar het buitenland vertrekken. Bij de bedrijven ligt dat anders: die groeiden de laatste jaren sterk, maar als het tegenzit kunnen ze ook krimpen of verdwijnen. Dan vallen er gaten in het weefsel van onderlinge samenwerking. Maar hoe waarschijnlijk is zo’n negatieve spiraal?

De laatste drie jaar is de veerkracht van het Bio Science Park al een paar keer getest door tegenvallers. Zo vertrekt medicijnenproducent Apotex: de pillen worden voortaan in India gemaakt en er verdwijnen 250 banen. Ook schrapte het Japanse bedrijf Astellas de researchafdeling in Leiden, zodat daar een derde van de zeshonderd banen verdwenen. Maar de omringende bedrijven vingen die klappen goed op. Ontslagen personeel vond weer werk. En tegenover het verlies van die ene medicijnenproducent staat de opkomst van meerdere andere – die ook innovatiever zijn.

De harde kern bestaat uit een flinke groep vitale bedrijven. Ze doen onderzoek én productie. Ze verdienen geld én investeren in nieuwe medische vondsten. Ze zijn financieel gezond en zijn geen zijtak van een groot concern waar de beslissingen aan de andere kant van de aardbol worden genomen. Zolang die bedrijven blijven, is er weinig aan de hand. Maar blijven ze ook? We vroegen het verschillende bedrijven.

De stemming werd het best verwoord door André Hoekema, onderzoeksdirecteur bij Galapagos, één van de grote beloftes van de Nederlandse biotechnologie. „Wij werken hier samen met de universiteit én het LUMC, en een heel rijtje bedrijven. Het ene bedrijf maakt op maat stukjes erfelijke code, de ander kan die code ontcijferen. En weer anderen helpen met snelle biologische tests van medicijnen. Die samenwerking maakt dit Bio Science Park zo sterk.”

Hoekema noemt ook minpuntjes, zoals de karige horeca op het Bio Science Park en de parkeerchaos elke ochtend. „Wij zien dat als groeipijnen. Dat gaat voorbij.” Galapagos laat zich daar niet door afschrikken. „Nee, wij gaan hier nooit weg”, verzekert hij. Om dat te onderstrepen, laat hij een schaalmodel zien van het nieuwe hoofdkantoor dat aan de rand van Oegstgeest moet verrijzen. In de lente moet de eerste paal geslagen worden.

Reputatie

Paul Vulto, een van de oprichters van het snelgroeiende bedrijf Mimetas, is ook vol lof over de kansen op samenwerking. „En de omgeving helpt”, zegt hij. „Wie hier rondloopt, krijgt toch het gevoel: hier gebeurt het!” Zijn gasten zijn vaak onder de indruk van het Bio Science Park. „Zo werkt dat: het succes van de anderen straalt ook af op ons.” Daarnaast noemt hij de stad als positieve factor. „Je hebt de binnenstad met de terrassen, de musea en een universiteit met een goede reputatie. En kan op je fietsje naar het werk. Zelfs Italianen die hier komen werken, hebben geen heimwee naar hun heerlijke klimaat.”

De bedrijven zijn dus blij met de stad Leiden, maar hoe blij moet Leiden eigenlijk zijn met het Bio Science Park? De bijdragen van de gemeente lopen in de papieren. 400.000 euro voor een uniek meetapparaat van TNO; 340.000 voor uitbreiding van de Leidse Instrumentmakers School; een half miljoen voor alweer het vierde bedrijfsverzamelgebouw van Biopartner. Bijdragen aan werving van bedrijven, het beheer van het park én nieuwe initiatieven van het LUMC. Gemiddeld geeft de gemeente aan dit soort investeringen 800 duizend euro per jaar uit.

Nog kostbaarder zijn de bestemmings- en masterplannen voor het gebied. Daaraan besteedt de gemeente zo’n anderhalf miljoen per jaar. Alles samen is Leiden dus ruim 2 miljoen euro per jaar kwijt aan het Bio Science Park. Wat krijgt de stad daarvoor terug? Het kostte moeite om dat te achterhalen. Maar het resultaat is verrassend: de gemeente Leiden ontvangt uit het Bio Science Park drie keer zo veel geld als ze erin steekt. Afgerond gaat het om 8,5 miljoen euro per jaar. Dat zijn nog eens winstgevende investeringen.

Het sleutelwoord is ozb, of onroerendezaakbelasting. Veel Leidse huiseigenaren hebben er een hekel aan, want Leiden heeft een hoog ozb-tarief: 0,12 procent van de woningwaarde. Met een huis van 3 ton betaal je dus jaarlijks 360 euro.

Maar het tarief voor ’niet-woningen’ is maar liefst acht keer zo hoog. Eigenaren en gebruikers van kantoren, fabrieken, scholen en ziekenhuizen betalen 1,01 procent van de woz-waarde van hun panden. En op het Bio Science Park staan veel kostbare gebouwen. Die leveren jaarlijks 7,5 miljoen euro aan belasting op. Tel daar nog de ozb van duizend woningen bij, plus de erfpacht van gebouwen die op gemeentegrond staan en je krijgt het totaal van ruim acht miljoen euro.

Sleutelfactor

De gemeente kan daar leuke dingen mee doen en dat gebeurt ook: de binnenstad kreeg de laatste jaren een facelift, er zijn nieuwe parkeergarages gebouwd en begin deze maand ging de grote fietsenstalling onder het Lorentzgebouw open. Mede mogelijk gemaakt door de jaarlijkse geldstroom uit het Bio Science Park.

Wel blijft de vraag wat de gemiddelde Leidenaar hier allemaal aan heeft. Al sinds het Bio Science Park bestaat, is daar regelmatig discussie over. En wie een beetje rondvraagt, merkt dat er aan die booming business ook nadelen voor de Leidse burger kleven. De ochtendfiles op de Plesmanlaan en grote delen van het Bio Science Park zijn zo’n pijnpunt. En de stijging van de huizenprijzen door de toestroom van expats is er nog zo een.

Volgens stadshistoricus Cor Smit stellen die ergernissen weinig voor vergeleken met de vooruitgang die Leiden de laatste 25 jaar heeft gemaakt. Van een noodlijdende stad met hoge werkloosheid tot één van de meest welvarende steden van het land. Smit: „De groei van de bioscience is dé sleutelfactor hierachter geweest.”

Met zijn 20.000 banen zorgt het Bio Science Park nu voor een derde van alle banen in Leiden. Daarbij klinkt wel eens de kritiek dat er alleen werk is voor hoger opgeleiden. Maar dan vergeet men de mbo-opgeleide verplegers, laboranten en het administratief personeel van ziekenhuis en universiteit. En ook bij de bedrijven werken niet louter onderzoekers. Nu meer vondsten rijp zijn voor de markt, komt er meer aandacht voor productie, distributie en marketing. En daar heb je ook praktische mensen voor nodig.

Bedrijven die productie draaien, zijn bijvoorbeeld Janssen Biologics, HAL Allergy en binnenkort Galapagos. De gemeente moedigt die uitbreiding naar productie aan - juist ook om van het Bio Science Park geen elitefeestje te maken.

En de economische impact van de bioscience werkt ook door buiten die ene vierkante kilometer. „Kijk”, zegt oud-wethouder Robert Strijk, „de bedrijven trekken geld aan van over de hele wereld en veel daarvan druppelt door in de Leidse economie. Denk maar aan bouw- en installatiebedrijven, accountants, hotels, taxi’s, catering, scholen, kinderopvang en makelaars.”

De rekenkamercommissie Leiden-Leiderdorp laat deze indirecte werkgelegenheid door de bioscience nu uitrekenen. De resultaten komen in mei, maar uit vergelijkbare rapporten over andere steden valt af te leiden dat het al gauw om tweeduizend extra banen gaat.

„De bioscience heeft de stad echt opgetild”, zegt emeritus hoogleraar Ton van Raan die ooit het motto „Leiden, stad van ontdekkingen” bedacht. Volgens hem wordt het nog interessanter: het Bio Science Park groeit door tot op Oegstgeests grondgebied. De inrichting is in volle gang. Behalve bedrijfsgebouwen verrijzen daar ook woningen, horeca en een sloepenhaven. Van Raan denkt dat ook Rijnsburg en Katwijk steeds meer worden meegetrokken in de vaart van de bioscience.

Kansen en knelpunten

1. Kracht: de nummer één

Op maar één vierkante kilometer zijn in Leiden alle denkbare activiteiten te vinden op het gebied van bioscience. Het gaat om 20.000 banen. Als studenten, patiënten en bezoekers worden meegeteld, zijn hier overdag dubbel zo veel mensen te vinden.

De sterkste groei zit in de bedrijven, die nu goed zijn voor 6.000 banen. Maar ze vormen nog wel een minderheid binnen het park. Groot zijn hier ook het LUMC, de universitaire bètafaculteit en Hogeschool Leiden. En ook Mbo Rijnland, de Leidse Instrumentmakerschool zijn belangrijk, net als TNO en museum Naturalis. Juist die combinatie van onderzoek, patiëntenzorg, onderwijs, publieksvoorlichting én bedrijven maakt van het Bio Science Park het veelzijdige kenniscluster dat tot de top in dit vakgebied hoort.

Dat Leiden ’s lands nummer één is in de bioscience, bleek al in 2015 uit een rapport van de landelijke commissie genetische modificatie (CGM). Leiden had het grootste aantal biotechbedrijven: 74 stuks. Alleen Amsterdam (54) kwam daar in de buurt, maar andere onderzoekscentra hadden er hooguit dertig. Ook met 3.200 banen in zulke bedrijven lag Leiden ruim op kop.

In dat rapport stond een lijstje miljoenendeals met ’Big Fama’ uit de periode 2008-2011. De top-vijf bestond volledig uit Leidse successen: Crucell, Galapagos en Prosensa haalden samen meer dan 3,5 miljard op. Een jaar later maakte NRC Handelsblad een zelfde lijstje over de jaren 2013 tot 2015 en weer was Leiden het best vertegenwoordigd, met bijna 3 miljard euro aan deals.

Ook laat het rapport zien dat het LUMC landelijk een grote rol speelt in genomics, een frontgebied van de bioscience. Het ziekenhuis was op dat moment voortrekker van vijf landelijke samenwerkingsverbanden, zoals healthy ageing - of gezond oud worden.

De Leidse bioscience stond er in 2015 dus sterk voor. Het ministerie van Economische Zaken laat binnenkort een nieuw landelijk overzicht maken. Na de groei van de laatste vijf jaar lijkt aannemelijk dat Leiden daarin zeker niet lager zal scoren.

2. Knelpunt: drempels voor starters

Veel van de Leidse bioscience-bedrijven zijn hier ’geboren’. Ze kregen vaak steun bij hun avontuur: bewegingsvrijheid en subsidies. Is het klimaat voor starters nu nog zo mild? De drempels lijken hoger geworden.

Wetenschappers op de universiteit én op het LUMC moeten scoren met publicaties en beurzen binnenhalen voor verder onderzoek. Wie een vondst praktisch wil toepassen, zwemt tegen de stroom in. Officieel is de universiteit vóór kennisoverdracht, maar op veel plekken is de praktijk anders. Octrooi nemen op een vinding telt niet mee voor de score, een bedrijf beginnen moet in eigen tijd. Maar wie winst gaat maken, moet daarvan een groot deel afdragen. Dat maakt het verstandig binnen de universitaire paden te blijven, in de gouden kooi. Zo levert de universiteit weinig spin-offs.

De innovatiebeurzen voor ondernemende wetenschappers zijn opgedroogd. Om toch iets te beginnen isneigen geld nodig, een suikeroom of een lening van de bank. Maar die suikeroom (venture capital heet dat) en die bank willen liever eerst een succesje zien. En juist in de bioscience kan dat wel wat jaren duren. Net voor niets heet de moeilijke fase van doorstarters de Valley of Death.

Dat er op het Bio Science Park toch nog startups te vinden zijn, komt doordat rijpe bedrijven of ex-ondernemers het een uitdaging vinden om nieuwe initiatieven te steunen. Maar de drempels voor starters vanuit de universiteit zouden lager moeten.

3. Kans: samen tempo maken

Het moeilijke van medicijnenontwikkeling is de lange weg van goed idee tot geregistreerd medicijn. Kleine biotechbedrijven houden dat vaak niet vol en patiënten moeten lang wachten op goede medicatie. Zelfs als het kandidaat-medicijn klaar is, is vaak nog tien jaar nodig. Voor dierproeven, kleinschalige proeven op patiënten, en vervolgonderzoek naar bijwerkingen. Dat moet allemaal voorzichtig en gefaseerd gedaan worden.

Zou dat echt niet sneller kunnen? Dat is een spannende puzzel En het interessante is dat juist in Leiden drie belangrijke puzzelstukjes klaarliggen:

Dankzij Mimetas zijn dierproeven vaak over te slaan. Zij maken een kweeksysteem (Organoplate) waarmee menselijke cellen tot mini-orgaantjes opgekweekt worden. Zo kunnen op een oppervlak zo groot als een mobieltje tientallen tests gedaan worden om te zien hoe menselijke organen op een medicijn reageren. Het resultaat is er binnen enkele weken.

Bij TNO in Leiden staat Europa’s enige biomedische Accelerator Mass Spectrometer. Daarmee zijn extreem lage concentraties van lichaamsstoffen meetbaar. Dat maakt al in een heel vroeg stadium onderzoek mogelijk naar bijwerkingen van medicijnen: geef patiënten een micro-dosering waar ze niets van merken, en in hun bloed of urine is te meten of er bijeffecten zijn. Met deze aanpak valt veel tijdwinst te boeken.

Het CHDR is een geavanceerd centrum voor onderzoek met proefpersonen. Hier loopt dit onderzoek niet verspreid over allerlei artsen of ziekenhuizen, maar op één plek. Dus zijn de omstandigheden (zoals het dieet van de proefpersonen) beter onder controle houden en de werking van het medicijn preciezer volgen. Met een kleinere groep patiënten wordt snel duidelijkheid verkregen. Dat is opnieuw winst.

Deze drie Leidse ’versnellers’ horen alle drie op hun terrein bij de wereldtop. Medicijnenmakers op het Bio Science Park hoeven maar bij ze aan te kloppen. Sommigen doen dat al.

4. Kans: de vrijdagmiddagborrel

Maar waar praten zij met elkaar, in deze polder? Eigenlijk is het Bio Science Park nog te veel een ’werk- en studiepark’. Er is wel een grand café De Stal en sinds kort de eettent 071. Maar op 20.000 werkenden, bijna evenveel studenten en straks ook tweeduizend bewoners, is dat karig. Misschien verandert dat als in het Pesthuis (naast Naturalis) straks een food hall opent en als tegenover het sportcentrum straks ook wat horeca komt. Dat wordt dan ook tijd, zeggen juist een aantal veteranen die al meer dan tien jaar op het park werken.

„Met wat bars en café’s wordt het hier een levendiger stadsdeel, waar het na vijf uur niet meteen stil wordt”, zegt een onderzoeksdirecteur. Hij ziet het voor zich: de vrijdagmiddagborrel met collega’s, waar zij ook spontaan mensen van andere bedrijven tegenkomen. Juist in zo’n ongedwongen sfeer kan je elkaar op ideeën brengen en relaties leggen die later nog van pas kunnen komen.

Dat ontmoeten kan ook zomaar tot nieuwe samenwerking of innovaties leiden. Die gedachte leeft juist bij sommige grote, gevestigde bedrijven op het park. Want uit ervaring weten ze: in de dagelijkse routine kijken mensen soms te veel naar binnen, terwijl nieuwe ideeën vaak juist buiten te vinden zijn. Alleen moeten ze dan wel andere mensen kunnen tegenkomen.

5. Knelpunt: het vervoer

Files naar de overvolle parkeerplaatsen, een half uur wandelen vanaf het station, of twintig minuten wachten op een bus die geen maatwerk levert. De verkeerssituatie op en rond het Bio Science Park is één van de belangrijkste ergernissen van de mensen die er werken.

Het LUMC, de sociale faculteit en de hogeschool kunnen OV-gebruik het makkelijkst stimuleren. Want deze instituten liggen op loopafstand van het station. Maar voor de bètacampus en bedrijven die meer ’achterin’ het gebied zitten, werkt dit niet. Fietsen lijkt de beste oplossing, maar dat vraagt hier en daar om veiliger kruispunten. En dan nog blijven velen de auto nemen – tenzij ze actief verleid worden tot iets anders.

Die alternatieven zijn nog niet goed van de grond gekomen. Er hebben als proef een tijd busjes gereden. En er is een project met deelfietsen geweest. Geen van beide werd een succes. De gemeente weet ervan, maar is voor betere busverbindingen afhankelijk van de provincie. En mensen meer dwingen tot autovrij vervoer? Dat kunnen alleen de bedrijven zelf, is het idee.

Voorlopig blijven de parkeerfiles, lange wandelingen en tijdrovende busritten op het park dus nog dagelijks realiteit. Althans, zodra de coronacrisis voorbij is.

Dit is het slot van een tweeluik over Leiden Bio Science Park. Deel 1 (’van struikelstart tot soepele estafette’) stond in de krant van 14 maart. Voor deze artikelen is gesproken met twintig betrokkenen. Daarnaast is archiefresearch en cijferanalyse verricht. Deze research is mogelijk gemaakt door het Leids Mediafonds (LMF).

Bron: https://m.leidschdagblad.nl

Biotech Training Facility: unique professional GMP and biosafety courses in a state-of-the-art environment.

BTF